Main content

Inhoud

Corona en andere zoönosen

In de regio Wuhan in China startte in december 2019 een uitbraak van een nieuw coronavirus, ook wel SARS-CoV-2 genoemd. Het virus lijkt namelijk sterk op SARS uit 2003, maar dan gemuteerd in een versie die veel makkelijker en sneller van mens op mens wordt doorgegeven. Het virus kan de ziekte COVID-19 veroorzaken. De meeste patiënten met dit virus hebben koorts en luchtwegklachten. SARS-CoV-2 is een zoönose, een ziekte die van dieren op mensen kan overspringen. Ook ebola, BSE en de pest zijn zoönosen.

Zoönosen zijn ziektes die van dieren op mensen kunnen worden overgedragen. Dieren worden ziek door de manier waarop mensen ze houden. En mensen worden ziek door de manier waarop we dieren gebruiken. Zoönosen zouden voor mensen een belangrijke reden moeten zijn om de manier hoe we met andere dieren omgaan te herbekijken. Zoönosen zijn slechts een symptoom. Speciësisme is de werkelijke 'ziekte'.

SARS-CoV-2 (Coronavirus)

Wetenschappers vermoeden dat het coronavirus afkomstig is van de Chinese Hoefijzervleermuis. 1 Daar hebben ze het virus nog niet bij aangetroffen, maar wel virussen die een zeer grote gelijkenis vertonen. Ook de SARS-epidemie van 2003 kwam bij dit diertje vandaan. Overigens is de mens niet ziek geworden van contact met deze vleermuis. Dat is een misverstand. Sterker nog, een dier zoals dit, is het reservoir. Het reservoir leeft met het virus en wordt daar zelf hoogstwaarschijnlijk niet ziek van. In zijn natuurlijke omgeving geeft het reservoir het virus door aan een zogenaamd gastdier. Dat kan door bijten zijn, maar ook via ontlasting of bloed. Wie het gastdier was van SARS-Cov-2, weten de wetenschappers nog niet zeker. In het geval van SARS 2003, was dat de civetkat en ze denken ook dit keer aan een soortgelijk dier.

Het probleem ontstaat nog niet in de jungle, waar reservoir en gastdier thuishoren. Het probleem ontstaat wanneer het gastdier wordt bejaagd door mensen, uit de jungle gehaald en in een menselijke omgeving, met gebrekkige hygiëne wordt geslacht. Zoals op de populaire en grootschalige dierenmarkten in China. Officieel zijn ze verboden, want de Chinese autoriteiten onderkennen de risico’s, maar handhaving is lastig. Als een gastdier zoals de civetkat vervolgens onder de mensen wordt gebracht en daar in de open lucht wordt geslacht, komt het virus vrij via bloed of ontlasting. Mogelijk zelfs via aanraking of bijten. De mensenmassa’s op de markt doen vervolgens de rest. Mensen die nog niet in contact zijn gekomen met het virus, hebben er nog geen weerstand tegen. Dan kan zo’n virus snel om zich heen grijpen.

In China is het na de uitbraak van het coronavirus verboden om nog langer wilde diersoorten te verhandelen en te eten. 2 Overheden wereldwijd nemen drastische maatregelen om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Er is echter een eenvoudige manier om de bron van veel van dit soort infectieziekten aan te pakken. Namelijk: stoppen met dieren houden en eten.

Lees ook: Collectief wetenschappers unaniem: plantaardig eten is gezond

Hoe verspreiden ziektes zich tussen dieren en mensen?

Zoönosen kunnen bacterieel, viraal of parasitair zijn of onconventionele agentia omvatten (zoals prionen bij BSE). 1 Wetenschappers schatten dat meer dan 6 op de 10 bekende infectieziekten bij mensen kunnen worden verspreid door dieren, en 3 op de 4 nieuwe of opkomende infectieziekten bij mensen komen van dieren. 2

Er zijn verschillende manieren waarop mensen geïnfecteerd kunnen raken met ziektekiemen die zoönosen kunnen veroorzaken:

1. Rechtstreeks contact: In contact komen met het speeksel, bloed, urine, slijm, ontlasting of andere lichaamsvloeistoffen van een besmet dier. Voorbeelden hiervan zijn het aaien of aanraken van dieren, en bijten of krabben. Voorbeelden daarvan zijn rabies (hondsdolheid) en Dermatophytose (ringworm).

2. Indirect contact: In contact komen met gebieden waar dieren leven en rondlopen, of objecten of oppervlakken die zijn besmet met ziektekiemen zoals aquariumwater, leefgebieden voor huisdieren, kippenhokken, schuren, planten en grond, maar ook huisdiervoer en waterbakjes. Voorbeelden zijn Q-koorts, Toxoplasmose.

3. Vectoraal gedragen: gebeten worden door een teek, of een insect zoals een mug of een vlo. Voorbeelden zijn de pest en de ziekte van Lyme.

4. Voedsel: Elk jaar wordt 1 op de 6 Amerikanen ziek door het eten of drinken van iets onveiligs, zoals ongepasteuriseerde (rauwe) melk, ondergekookt vlees of eieren, of rauwe groenten en fruit die besmet zijn met uitwerpselen van een besmet dier. Besmet voedsel kan leiden tot ziekte bij mensen en dieren, ook bij huisdieren. Voorbeelden zijn BSE, Campylobacter, en Salmonella.

5. Watergedragen: Drinken of in contact komen met water dat besmet is met uitwerpselen van een besmet dier. Voorbeelden zijn Giardiasis, E. coli, Campylobacter.

Lees ook: drie handige tips om eieren te vervangen.

Andere zoönosen

Pest

Misschien wel de bekendste zoönose is de pest. De ziekte heeft in het verleden tot massale sterfte onder de Europese bevolking geleid. De laatste gevallen van pest in Nederland en België waren aan het begin van de 20e eeuw. Pest is een infectieziekte die wordt veroorzaakt door de bacterie Yersinia pestis. De ziekte is een zoönose omdat de bacterie wordt overgedragen van dieren naar mensen.

De pest circuleert met name onder wilde knaagdieren en vlooien. Het zijn de vlooien die de bacterie overdragen. Er bestaan drie typen pest: builenpest, longpest en septische infecties als gevolg van pest. Directe overdracht van persoon tot persoon komt niet voor, behalve in het geval van longpest, waarbij ademhalingsdruppels de infectie kunnen overbrengen van de patiënt naar anderen die in nauw contact staan met de patiënt.

SARS

Severe Acute Respiratory Syndrome heeft wereldwijd ruim 8000 mensen in ziekenhuizen terecht doen komen en ten minste 725 levens gekost. 1 De coronavirussen, waartoe het Sars-virus behoort, zijn lid van de orde van Nido-virussen. Een groep van virussen die tot luchtweginfecties kunnen leiden bij mensen en dieren. De meeste coronavirussen leiden bij besmetting, net als rhinovirussen, tot een gewone verkoudheid. Over het algemeen veroorzaken ze verkoudheid in de winter en vroeg in de lente.

Analyse van patiëntenmateriaal en van virussen die zijn geïsoleerd uit dieren op een markt in Guandong, wijzen op een direct verband tussen het menselijke SARS-virus en coronavirussen die werden aangetroffen in civetkatten en een wasbeerhond. “We hebben sterke aanwijzingen dat het virus, waarschijnlijk op de markten waar civetkatten worden verkocht, is overgegaan van dieren op mensen”, zeggen Malik Peiris en Leon Poon, onderzoekers van het eerste uur in het Queen Mary Hospital in Hongkong. “De virussen lijken heel sterk op elkaar.”

MERS

MERS staat voor Middle East Respiratory Syndrome. Net zoals SARS en SARS-CoV-2 hoort het MERS-virsus tot de corona-virusgroep, een groep van virussen die tot luchtweginfecties kunnen leiden bij mensen en dieren. 1 De meeste coronavirussen leiden bij besmetting, net als rhinovirussen, tot een gewone verkoudheid. Er zijn steeds meer aanwijzingen dat dromedarissen in het Midden-Oosten het virus kunnen overdragen op mensen.

De precieze herkomst van het virus is echter nog onbekend. Nieuwe virussen kunnen het gevolg zijn van een verandering van een bestaand virus. Dat nieuwe virus gedraagt zich daardoor anders en kan ziekmakender worden. Sommige virussen geven een milde infectie bij dieren, terwijl ze bij mensen ernstiger infecties kunnen veroorzaken en omgekeerd.

Ebola

Ebola is een zeldzame maar ernstige infectieziekte die in Afrika voorkomt en vaak gepaard gaat met bloedingen in het lichaam. 1 De ziekte heet officieel ebola hemorragische koorts en wordt veroorzaakt door een virus (ebolavirus, een van de filovirussen). Andere virussen die hemorragische koorts kunnen veroorzaken zijn onder meer het marburgvirus en het lassavirus.

De ziekte ebola is vernoemd naar de rivier Ebola in de Congo, waar het virus voor het eerst in 1976 werd gevonden. In dat jaar waren er uitbraken in Soedan en het toenmalige Zaïre (nu de Democratische Republiek Congo). Ebola veroorzaakte in de jaren daarna meerdere epidemieën in verschillende Afrikaanse landen.

Vleermuizen zijn de meest waarschijnlijke bron voor filovirussen. Deze virussen zijn aangetroffen in verschillende vleermuissoorten die in Afrika leven. Zij verspreiden het virus onder meer via hun ontlasting. Verschillende dieren in het Afrikaanse tropische regenwoud, zoals chimpansees, gorilla’s en antilopen, kunnen met het virus worden besmet. Als mensen deze dieren slachten en eten, kunnen zij het virus ook krijgen.

Vogelgriep

Vogelpest, vogelgriep of aviaire influenza is een ziekte die voorkomt bij vogels, voornamelijk hoenderachtigen. De ziekte veroorzaakt griepachtige verschijnselen, met sufheid, tranende ogen en opgezette kelen. Ook verkleurt de kam van de vogel. Sommige vogels sterven direct na de eerste besmetting. De incubatietijd bedraagt drie dagen tot twee weken. De ziekte is dodelijk voor kippen, kalkoenen en eenden. De veroorzaker van de ziekte is een variant van het influenzavirus: het influenza A-virus. Dit virus is zeer variabel, zodat telkens nieuwe varianten ontstaan. Een laagpathogeen aviair influenzavirus kan muteren tot een hoogpathogeen virus dat een zeer besmettelijk en dodelijk is voor de meeste vogelsoorten.

Ook zoogdieren, waaronder mensen, kunnen door het vogelpestvirus worden besmet. In Hongkong overleden in 1997 zes slachtoffers aan besmetting met de H5-variant. Ook kan het virus bij mensen een niet-besmettelijke oogontsteking (conjunctivitis) veroorzaken. Tijdens de vogelpestuitbraak in 2003 in Nederland bleek dat ook in varkens de aanwezigheid van antistoffen tegen het vogelpestvirus kan worden aangetoond. Dit bleek het geval te zijn op gemengde boerenbedrijven, met zowel varkens als kippen.

Op 17 april 2003 overleed in het Jeroen Bosch Ziekenhuis in 's-Hertogenbosch een 57-jarige dierenarts aan een ernstige longontsteking. In de longen van deze dierenarts werd het vogelgriepvirus aangetoond.1 Omdat er geen andere mogelijke verklaring is gevonden voor het ziektebeeld, is er een sterke aanwijzing dat de man is overleden aan de gevolgen van infectie met het vogelgriepvirus. In 2004 zijn er 65 mensen gestorven door het vogelpestvirus in Thailand, Cambodja, Vietnam, China en Indonesië.2 Eind december 2007 maakte het Egyptische ministerie van Gezondheid bekend dat er vier mensen binnen een week aan de H5N1-variant zijn overleden.

Lees ook: Alleen de pluimveesector zelf draagt schuld aan vogelgriepepidemie.

Nipahvirus

Nipahvirus is een lid van de familie Paramyxoviridae, genus Henipavirus. Het virus lijkt te worden gehandhaafd in vleerhonden (genus Pteropus), die mensen kunnen infecteren door directe blootstelling aan hun speeksel of uitwerpselen, inclusief door gecontamineerd voedsel, vooral palmsap. Vleerhonden kunnen het virus ook overdragen op intermediaire gastheren, vooral varkens, die een ademhalingsziekte ontwikkelen en het virus kunnen overbrengen op mensen.1

Serologisch bewijs van infectie werd ook opgemerkt in katten, honden en paarden. Varkenshouders en slachthuismedewerkers hebben een verhoogd risico. Overdracht van mens op mens werd occasioneel waargenomen door blootstelling aan lichaamsvloeistoffen.

BSE

BSE staat voor Bovine Spongiforme Encephalopathie. Het is een ziekte die voorkomt bij runderen. Daarnaast bestaat de vrees dat het ook kan voorkomen bij kleine herkauwers. Tot nu toe is onder natuurlijke omstandigheden slechts één geval van BSE bij een Franse geit vastgesteld.

Bij deze ziekte wordt het centrale zenuwstelsel van de dieren aangetast. Er ontstaan microscopisch kleine holtes in de hersenen van de dieren, waardoor het gedrag verandert (schrikreacties, overgevoeligheid voor licht, geluid, aanraken) en bewegingsstoornissen ontstaan wat uiteindelijk leidt tot de dood.1

Zowel de menselijke variant als die bij koeien worden niet veroorzaakt door een virus of een bacteriële infectie. BSE is een mutatie van in het brein aanwezige eiwitten.2 Bij schapen en geiten komt scrapie voor. Besmetting van mensen via schapen en geiten is nooit aangetoond. Verder komen vergelijkbare ziektebeelden voor bij herten (Chronic wasting disease (CWD)) en nertsen (Transmissible Mink Encephalopathy (TME)). Een Amerikaans onderzoeksteam vermoedde een mogelijke besmetting van nertsenbedrijven in 1985 in Stetsonville (Wisconsin, USA) waar aan de dieren karkassen werden gevoederd van melkkoeien die leden aan het zgn. "downer cow" syndroom. 3

Katten kunnen Feliene spongiforme encefalopahtie (FSE) krijgen. De in de dierentuinen vastgestelde gevallen worden veroorzaakt door het voederen van besmette karkassen of slachtafval aan de wilde katten. Onderzoek van enkele gevallen toonde aan dat de FSE het gevolg was van het feit dat de BSE-agens de barrière tussen soorten had overschreden. De bij huiskatten vastgestelde gevallen moeten worden toegeschreven aan diervoeder dat het B.S.E-agens bevat. 4

Q-koorts

Ook Q-koorts is een infectieziekte die van dieren op mensen kan overgaan, een zoönose dus. 1 In Nederland zijn vooral besmette melkgeiten en melkschapen de infectiebron voor mensen. Q-koorts is niet van mens op mens overdraagbaar. Tussen 2007-2011 was er een Q-koortsepidemie in Nederland. De meeste mensen lopen Q-koorts op door het inademen van lucht waar de bacterie inzit, tijdens de lammerperiode (februari tot en met mei) van geiten en schapen. Dat betekent dat mensen besmet kunnen worden door dieren die de bacterie dragen.

Meer dan de helft van de mensen met Q-koorts heeft geen klachten. De mensen die wel klachten hebben, hebben vaak een griepachtig ziektebeeld. Soms verloopt Q-koorts ernstiger. Dan begint de ziekte in korte tijd met heftige hoofdpijn, hoge koorts en een longontsteking met droge hoest en pijn op de borst. De bacterie kan een leverontsteking veroorzaken. Deze klachten komen echter ook bij andere ziektebeelden voor. Mannen hebben vaker last van Q-koorts dan vrouwen en ook mensen die roken worden vaker ziek. Veel mensen die Q-koorts hebben gehad, zijn daarna nog lange tijd moe. Wanneer er ziekteverschijnselen optreden gebeurt dat gemiddeld 2 à 3 tot 6 weken na de besmetting. Soms kan Q-koorts tot een chronische infectie leiden. Dan is er vaak een ontsteking aan het hart. Chronische Q-koorts komt meestal voor bij patiënten met een afweerstoornis en hartpatiënten. Bij zwangere vrouwen kan een eerder doorgemaakte Q-koortsinfectie tot chronische Q-koorts leiden.

Vooral vruchtwater en de moederkoek van besmette dieren bevatten grote hoeveelheden bacteriën. De bacterie kan ook in melk, mest en urine zitten, maar niet in het vlees van de geit of het schaap. Ook andere dieren zoals koeien en huisdieren kunnen besmet zijn en de infectie overdragen op mensen. In Nederland is dit nog niet of nauwelijks gebeurd. De bacterie kan maanden tot jaren overleven in de omgeving. Het drinken van rauwe melk kan ook een bron van besmetting zijn. De bacterie wordt inactief door pasteurisatie of koken. Dieren zijn besmettelijk zolang zij de bacterie bij zich dragen. Er is in Nederland alleen een vaccin voor dieren beschikbaar.

Als een patiënt overlijdt aan Q-koorts is dat vrijwel altijd ten gevolge van chronische Q-koorts. Chronische Q-koorts is echter niet meldingsplichtig waardoor de GGD en het RIVM daar geen informatie over hebben. Een schatting van het aantal sterfgevallen is beschikbaar vanuit de landelijke database die beheerd wordt door onderzoekers vanuit het Universitair Medisch Centrum Utrecht (UMCU), het Radboud UMC, en het Jeroen Bosch ziekenhuis. Q-koorts-experts van die ziekenhuizen hebben op basis van de database vastgesteld dat de afgelopen tien jaar 74 patiënten zeker of waarschijnlijk aan Q-koorts zijn overleden.

In 2018 waren er in Nederland 13 gemelde acute Q-koortspatiënten. Tussen 2013 en 2018 waren dat er tussen de 12 en 28. In 2012 66, in 2011 81, in 2010 504, in 2009 2354, in 2008 100 en in 2007 168.

Zoönosen zijn slechts het symptoom. Speciësisme is de ziekte.

Het idee dat zoönosen alleen om zich heen kunnen grijpen als gevolg van onhygiënische dierenmarkten in China of centraal-Afrika is een illusie. Denk maar eens aan de Q-koorts uitbraak in Nederland of die van BSE in Engeland. Zolang de mens dieren slacht voor vlees is het wachten op de volgende uitbraak.

Special Professor Emerging en Zoonotic Viruses dr. Wim van der Poel van de Universiteit Wageningen onderzoekt al 20 jaar virale zoönosen: “Zo’n 70% van alle virussen die de mensheid in de toekomst naar verwachting zal treffen, zal van dieren afkomstig zijn. Dat is geen nieuwe ontwikkeling, dat is altijd al zo geweest. Maar we weten nu veel meer dan 20 jaar geleden.” Om in de toekomst dit soort pandemieën te voorkomen, moeten we onze relatie met dieren grondig herzien. Vooral nu het aantal (naar de mens overdraagbare) dierziekten ‘ongekend toeneemt’ zoals de Wereldvoedselorganisatie (FAO) waarschuwt. 1

Zoönosen zouden voor mensen een belangrijke reden moeten zijn om de vee-industrie met andere ogen te bekijken - naast een hel voor dieren en een gevaar voor milieu en klimaat, vormt deze industrie ook een bedreiging voor de volksgezondheid. Toonaangevende internationale wetenschappers stellen in een gezamenlijk rapport dat mensen ook prima plantaardig kunnen leven en dat een gevarieerd plantaardig eten gunstig is voor de gezondheid in alle levensfasen. De belangrijkste reden dat de vee-industrie dient te verdwijnen is niet dat ze een gevaar vormt voor mensen, maar dat het de rechten van dieren schendt! Zoönosen zijn slechts een symptoom. Speciësisme is de werkelijke 'ziekte'.

Teken ook de petitie voor dierenrechten in de grondwet.

Behalve epidemieën en pandemieën vormt antimicrobiële resistentie een probleem. Dit zal volgens de WHO resulteren in 10 miljoen doden per jaar vanaf 2050. In de EU wordt 70 procent van de antibiotica gebruikt om infectieziekten onder dieren (ook een groot probleem bij kweekvis) tegen te gaan, maar een gevolg hiervan is dat bacteriën resistent kunnen worden. 1 Hoe kan het dat wij bereid zijn zoveel op te offeren om maar dieren te kunnen blijven eten? We zetten onze planeet, onze gezondheid en niet in de laatste plaats onze menselijkheid op het spel.

Vandaag vallen de vitale belangen van de mens duidelijk samen met de belangen van niet-menselijke dieren. Ook ons eigenbelang zou onze houding tegenover niet-menselijke dieren dienen te veranderen. We moeten niet alleen markten in China en overal ter wereld verbieden waar levende dieren verkocht en geslacht worden. De veel verregaandere conclusies is dat we dieren compleet uit onze voedselketen moeten schrappen, voordat het te laat is.

Fragment uit de cluster 'Zoönosen' van de documentaire 'One Single Planet'van de Nicolaas G. Pierson Foundation.

Hoeveel zoönosen zijn er?

Hieronder is een (niet volledige) alfabetische lijst van 37 bekende zoönosen: 1 2:

  • Anaplasmose
  • Ascaridose
  • Botulisme
  • Brucellose
  • BSE
  • Campylobacter
  • Chlamydiose
  • Colibacillose
  • Cryptosporidiose
  • Dermatophytose (Rrngworm)
  • Ebolavirus
  • Ecthyma (Orf)
  • Fasciolose (Leverbot)
  • Glanders
  • Giardiasis
  • Hantavirus
  • Hondsdolheid
  • Hydatidose
  • Influenza (seizoensgriep)
  • Kattenkrabziekte (Bartonella henselae)
  • Larva migrans
  • Lassakoorts
  • Listeriosis
  • Marburgvirus
  • Miltvuur
  • Nipahvirus
  • Leishmaniose
  • Leptospirose
  • Listeriose
  • Lyme borrelioses (ziekte van Lyme)
  • Mond-en-klauwzeer
  • MRSA
  • Miltvuur (Antrax)
  • Ornithosis
  • Pest
  • Psittacose
  • Q-koorts
  • Rabiës (hondsdolheid)
  • Riftdalkoorts
  • Salmonella
  • SARS-CoV-2
  • Schurft
  • Taeniase en cysticercose
  • Toxocarose
  • Toxoplasmose
  • Trichinellose
  • Tuberculose
  • Tyfus
  • Vesiculaire stomatitis
  • Varkensgriep (H1N1, H1N2, H3N1 H3N2)
  • Vlekziekte
  • Vogelgriep (H5N1, H7N9)
  • Ziekte van Newcastle
  • Ziekte van Weil