Main content

Inhoud

De kalkoenenhouderij

Nieuws: 16 december 2019
Slacht

De tamme kalkoen stamt af van de Zuid-Mexicaanse ondersoort van de wilde kalkoen. Kalkoenen zijn Amerikaanse loopvogels, maar ze kunnen ook een eindje fladderen. In de natuur leven ze in kleine groepjes van een haan, twee of drie hennen en enkele jongen. Jonge hanen leven vaak in groepen en doen het eerste jaar niet mee aan de voortplanting. Vrouwtjes zijn solitair tijdens het nestelen en leven met hun jongen gedurende de eerste paar weken gescheiden van de rest van de groep. Daarna leven groepen hennen met hun jongen vaak in groepsverband. Hanen sluiten zich daar in de winter vaak bij aan, waardoor er in die periode grote groepen foeragerende dieren ontstaan, die zich echter 's nachts weer van elkaar scheiden.

Voortplanting

De haan pronkt tijdens een uitgebreid baltsritueel als voorbereiding op de paring. Wilde kalkoenen slapen in bomen, maar de hen maakt op de grond haar nest, waarin ze 20 tot 25 eieren legt. De broedtijd bedraagt een maand. De kuikens slapen de eerste 4 tot 5 weken op de grond onder de vleugels van de moeder, daarna gaan ook zij ’s nachts de bomen in.

Voedsel

De hen leert de kuikens voedsel zoeken en sociaal gedrag. De zaden en bladeren van gras worden gegeten. Jonge kalkoenen eten de eerste weken echter vrijwel uitsluitend insecten. Vanaf 6 weken leeftijd eten ze ook plantaardig materiaal. Volwassen wilde kalkoenen zijn omnivoren. Vaak wordt het eten al scharrelend opgezocht. Onder natuurlijke omstandigheden besteden kippen en kalkoenen ongeveer 40 tot 60 procent van de dag aan het zoeken van voedsel en opeten. 1

Domesticatie

Gedomesticeerde kalkoenen hebben tijdens het domesticatieproces genetische wijzigingen in gedrag ondergaan: de dieren worden eerder geslachtsrijp, hebben hun natuurlijke schuwheid verloren en zijn ook een deel van hun gedragingen om in het wild te overleven verloren.

Fokkerij

De Spaanse bezetters namen vanaf 1511 kalkoenen uit de ‘Nieuwe Wereld’ mee naar Europa en zo startte de fokkerij. Wereldwijd worden er nu zo’n 460 miljoen kalkoenen per jaar ‘geproduceerd’. De Verenigde Staten vertegenwoordigd ruim de helft van de wereldmarkt (240 miljoen) en is de grootste producent.

Na de VS volgt Europa, met een aandeel van ongeveer 35%, maar dat percentage daalt al een aantal jaar als gevolg van dierenwelzijnseisen en de invloed van ziektes zoals vogelgriep en blackhead. Frankrijk, Duitsland en Italië zijn de grootste kalkoenproducenten in Europa, gevolgd door Polen en Groot-Brittannië.

Opkomende landen zijn Brazilië, Rusland, India en China. Brazilië startte rond 1990 met grootschalige kalkoenproductie om zijn soja voor een deel als veevoeder op de thuismarkt te gebruiken. Rusland heeft in 10 jaar tijd 2% van de wereldmarkt veroverd.

De Lage Landen

De kalkoenhouderij kent in de Lage Landen geen lange geschiedenis en is geen traditie. Volgens sommige bronnen begon het in Oisterwijk begin jaren zestig van de vorige eeuw. Op het landgoed De Rosep begonnen grootvader Adrie Melis en Thieu Coolen met het fokken van kalkoenen. Grootvader Melis deed de fokkerij, onder andere via kunstmatige inseminatie, en Coolen nam het broederijgedeelte voor zijn rekening. Vrij snel na de oprichting van het bedrijf verhuisde Thieu Coolen met zijn broederijactiviteiten naar Limburg. In Oisterwijk bouwde de familie Melis het kalkoenenbedrijf verder uit. Het bedrijf maakte in die tijd de overstap van fokdieren naar vleeskalkoenen en groeide uit van 6.000 naar 14.000 dieren.

De kerstkalkoen werd aanvankelijk afgeleverd op een gewicht van 3,5 kilo. Dat was een gewilde maat. Deze lichtgewichten betroffen hennen die vroegtijdig werden geslacht. Het resterende deel van de hennen werd afgemest tot 7 kilo. De hanen bereikten toentertijd een gewicht van zo’n 12 kilo. De kilo’s van toen staan in schril contrast met de ‘zwaargewichten’ van nu.

De jaren zeventig waren gouden tijden voor de kalkoenhouderij. De sector floreerde en er werd geld verdiend. In het jaar 2003 sloeg de vogelgriep hard toe in Noord-Limburg, de regio waar veruit de meeste kalkoenbedrijven zitten. 1

Net zoals in andere sectoren loopt het aantal bedrijven dat kalkoenen fokt terug, maar neemt de bedrijfsgrootte toe; schaalvergroting en intensivering dus.

Genetica - Plofkalkoen

Nog een belangrijke trend is het almaar toenemende gewicht waarop de kalkoenen geslacht worden.

Het genetische materiaal van vleeskalkoenen wordt voor de helft geleverd door de Brits-Duitse groep Aviagen, waarvan Nicholas uit de Verenigde staten en British United Turkeys uit Engeland dochters zijn, en voor de andere helft door de Nederlands-Canadese bedrijf Hybrid Turkeys.

Het feit dat de relatief kleine Nederlandse en Belgische kalkoensector voor zijn fokproducten afhankelijk is van slechts enkele mondiaal opererende commerciële fokkerijorganisaties houdt in dat er ook weinig invloed is uit te oefenen op de bron van een aantal van de grove misstanden in deze industrie, zoals de groeisnelheid. 1

Undercover

Een undercoveroperatie van Mercy for Animals vond plaats van december 2013 tot februari 2014 bij Hybrid Turkeys in Ontario, de op een na grootste leverancier van kalkoenen in de wereld. De onderzoeker was getuige van de beestachtige behandeling van de dieren, waaronder hoe medewerkers de kalkoenen stompten, schopten en sloegen en met de dieren gooiden. Hoe medewerkers de ruggegraat van kalkoenen verbrijzelden en met metalen stangen en spades op hun koppen sloegen. Kalkoenen met open wonden, rottende ogen en etterende infecties liet men lijden, zonder diergeneeskundige hulp.

Nederland

Volgens CBS-cijfers waren er rond de millenniumwisseling nog 121 kalkoenbedrijven in Nederland met ruim anderhalf miljoen kalkoenen. Het aantal kalkoenbedrijven en kalkoenen in Nederland daalde van die 121 bedrijven met 1.544.000 dieren (gemiddeld 12.700 dieren per bedrijf) in het jaar 2000, naar 28 bedrijven met in totaal 635.853 dieren (gemiddeld 22.709 dieren per bedrijf) in 2018. Van het totale aantal bedrijven in 2000 is dus maar een kwart over en van het aantal kalkoenen ongeveer een derde. 1 In 2008 waren er 61 kalkoenbedrijven, 59 in 2009, 37 in 2016, en 31 in 2017. In levend gewicht ging het in 2018 om 3.940.000 kg, een gestage daling van 5.178.000 kg in 2015. 2 Er zouden er in 2019 nog 30 actief zijn met, volgens de voorlopige cijfers, 516.122 kalkoenen. 3 De grootste kalkoenhouder in Nederland heeft zo’n 60.000 dieren.

Na de vogelgriepepidemie in 2003 zag je een heel duidelijke krimp in de kalkoensector. De lage rentabiliteit speelt ook een rol. In de afgelopen tien jaren zijn veel kalkoenbedrijven gestopt of overgeschakeld op ander pluimvee, bijvoorbeeld vleeskuikens.

De omschakeling heeft ook te maken met het risico op de moeilijk te bestrijden kalkoenziekte Blackhead, die grote financiële schade kan veroorzaken, en het verdwijnen van het laatste Nederlandse kalkoen slachthuis. 4 Ook is het gebrek aan opvolging een reden om te stoppen.

Jeroen van den Hurk, sectorspecialist Pluimveehouderij bij Rabobank Nederland merkte midden-2018 op dat de kalkoensector in Nederland de afgelopen jaren minder heeft geprofiteerd van het positieve marktsegment voor pluimvee. De kalkoensector zoekt actief naar nieuwe afzetmarkten (zoals Beter Leven keurmerk en concepten) en verdienmodellen om de sector in omvang vast te houden. 5

De meeste kalkoenen in Nederland zijn te vinden in Limburg. De provincie was in 2016 met bijna 350 duizend dieren goed voor 46 procent van alle kalkoenen in Nederland. Noord-Brabant staat op de tweede plaats met bijna 200 duizend dieren, 25 procent van alle kalkoenen. De meeste kalkoenen zijn opgehokt in de gemeente Peel en Maas. Deze Limburgse plaats is met meer dan 90 duizend kalkoenen goed voor 12 procent van alle kalkoenen in ons land. In de top-10 van de kalkoenrijkste gemeenten staan vier Limburgse gemeenten (Nederweert, venray, Leudal naast Peel en Maas), vier gemeenten in Noord-Brabant, één gemeente in Gelderland en één in Overijssel. 6 7 In 2018 is dat beeld iets verschoven. Limburg herbergt dan met 354.349 kalkoenen 55 procent van de dieren. Noord-Brabant volgt met zeven bedrijven met in totaal 156.115 dieren. In Gelderland zijn drie kalkoenhouders actief met in totaal 71.527 dieren. De provincies Drenthe, Overijssel, Flevoland en Groningen herbergen alle slechts één kalkoenbedrijf. [45]

Ooit had Nederland zijn eigen slachthuis voor kalkoenen, totdat Plukon zijn kalkoenenslachterij Dutch Turkey Company (DTC) in Boxmeer in 2005 sloot. In 2005 werden daar nog 937.100 kalkoenen geslacht. 8 De kalkoenen worden sindsdien geslacht en verder verwerkt in Duitse slachterijen, zoals Sprehe in Emstetten en Stroot in Recke, of in België bij Volys Star. 

Een voerleverancier in Nederland voor kalkoenen is ABZ Diervoeding met een aparte lijn voor de hennen en de hanen. 9

Nederland heeft ook geen vermeerderingsbedrijf (in 2009 waren er nog twee) en slechts één broederij. Vermeerderingsbedrijven en andere broederijen waarmee Nederlandse kalkoenhouders samenwerken komen voornamelijk uit Duitsland. Henk Jenniskens: “Eigenlijk ben ik volledig op Duitsland georiënteerd. De broederij, de voerfabriek en de slachterij zijn Duits.”

De BAV (coöperatie Bevordering Afzet Vleeskalkoenen) en de Duitse slachterij zijn onder meer ‘het werk’ van de kalkoenhouders Melis, Coolen, Jenniskens en Vloed. Zij zorgden er in 1993 voor dat nieuwe slachtcapaciteit en afzet werd gevonden toen een Belgische firma besloot tot een afname stop voor buitenlandse mesters.

“Via een subsidiepotje en een marketingbureau” hebben een twintigtal van de overblijvende bedrijven zich verenigd onder de merknaam ‘Slanke Bourgondiër’. Zij kiezen voor een kleinschalige aanpak onder meer door huisverkoop. De belangrijkste insteek was het promoten van de kalkoenconsumptie in Nederland.10 11

België

In België situeert de kalkoenhouderij zich bijna uitsluitend in Vlaanderen. Er zijn 24 of 25 Vlaamse fokkers actief die samen zo’n zestig stallen hebben, meestal op gemengde bedrijven. 1 Wallonië kent slechts twee biologische kalkoenenhouderijen. In België worden geen gedetailleerde cijfers over de kalkoenstapel gepubliceerd. Kalkoenen worden weggeboekt onder de noemer ‘ander pluimvee’ (anders dan kippen). 2 In 2016, 2017 en 2018 werden in België tussen 766.357 en 777.768 kalkoenen gekweekt en geslacht voor consumptie. In 2018 exporteerde België 19.108 ton kalkoenvlees, 32.255 ton werd geïmporteerd. 3 In 2018 werden maandelijks 64.000 kalkoenen geslacht. 4

Mengvoederfabrikant Quartes is de enige in België die speciaal voer voor kalkoenen produceert. Er zijn 20 bedrijven waaraan Quartes voeder levert en 4 bedrijven die met Nederlandse voeders voor de Duitse markt produceren. De Nederlandse voederfirma’s zoeken in Vlaanderen nog naar bijkomende kalkoenplaatsen voor de Duitse markt.

Sinds 2008 kweken alle bedrijven het kalkoenras Hybrid Converter, waarbij de hennen geslacht worden op een gewicht van 10 à 10,5 kg en de hanen op 15 à 16 kg. In de jaren 2011-12 hebben diverse bedrijven hun kalkoenstallen uitgebreid en zo kwamen er in 2 tot 3 jaar de helft van de kalkoenplaatsen bij.

In BE zijn er vier schakels in de keten: broederij Claeys uit Kruishoutem, de 24 kalkoenhouders, voederfirma Quartes en slachterij-verwerker Volys Star uit Lendelede. De eieren worden er geleverd vanuit Frankrijk, want in België, net als in Nederland, zijn er geen moederdierbedrijven voor kalkoenen meer. Net als in de andere sectoren is het rendement in de kalkoenhouderij gedaald. Houders worden betaald op basis van het afgeleverde gewicht aan vlees. Daarbij wordt de vleesprijs aan de voederprijs gekoppeld. 5

In België is een vereniging van kalkoenhouders opgericht die aan Volys leveren. Voorlopig denken ze niet aan uitbreiden, onder meer door de almaar stijgende kosten. Maar het is nog steeds een winstgevende bedrijfstak.

Slachthuis Volys Star

In België werden in 2016 volgens de overheidsstatistieken 777.768 kalkoenen geslacht. In het West-Vlaamse Lendelede bevindt zich slachterij Volys Star, waar wekelijks zo’n 16.000 à 18.000 kalkoenen gedood worden. Sinds de sluiting van het laatste Nederlandse kalkoenenslachthuis in Boxmeer is dit het enige bedrijf in de Benelux dat de kweek en verwerking van eigen kalkoenvlees garandeert. Het bedrijf begon als kippenslachter in 1946, maar werd vanwege rentabiliteits- en concurrentieredenen in 1972 omgevormd van een kip- naar een kalkoenslachterij. 1

Het bedrijf ontwikkelt, verwerkt en verkoopt wereldwijd kip en kalkoen, gekoeld en diepgevroren, voor de retail (supermarkten) en vleeswarengrossiers (groothandel). De naam Volibon (Franse afkorting van de la volaille qui est bonne) fungeert als merk voor de consument. Je vindt het in België vooral bij OKay (dochter van de Colruyt Group), Cactus in de provincie Luxemburg en de Match-supermarkten.

Turkey- of kalkoenham, gekruid en gerookt, werd door Volys Star als allereerste charcuterieproduct op basis van gevogelte in Europa op de markt gebracht. In 1994 startte het bedrijf met de productie van kant-en-klaar maaltijden op basis van kip en kalkoen en 4 jaar later met de commercialisering van vers gepaneerde kip- en kalkoenproducten. Het bedrijf koopt ook kip- en kalkoenfilet in Brazilië en Thailand om te verwerken in bepaalde producten.

Enkel aan Colruyt levert het bedrijf sinds 2004 verse kalkoenfilet volgens het lastenboek met strenge vereisten van de retailer. Zo mag er enkel plantaardig voeder voor de kalkoenen worden gebruikt, mag antibiotica enkel curatief worden ingezet en vinden er regelmatig audits door Colruyt plaats. België is en blijft nog steeds de belangrijkste markt, gevolgd door Nederland, Frankrijk en Engeland.

Ouderdieren

Net als de vleeskippensector bestaat de kalkoensector uit een keten van meerdere schakels. Aan de basis staan bedrijven met ouderdieren die de sector moeten bevoorraden van steeds nieuwe dieren. Maar er zijn natuurlijk ook nog grootouderdieren, de dieren die voor de bevruchte eieren zorgen waaruit de ouderdieren komen. Eieren worden uitgebroed in een broederij.

Net als leghennen verblijven opfokkalkoenen tot ze bijna geslachtsrijp zijn en dus eieren kunnen leggen, een leeftijd van ongeveer 28 a 29 weken bij kalkoenen, op het opfokbedrijf, ook daar apart als hanen en hennen gehuisvest. Daarna worden ze overgeplaatst naar vermeerderingsbedrijven. Vanaf een leeftijd van 33 weken komen de vermeerderingskalkoenen ‘in productie’ en de legperiode duurt tot ongeveer 58 weken leeftijd. Een ‘productief’ leven van slechts een half jaar dus! De hokken met circa 25 hennen zijn voorzien van legnesten. Bij vermeerderingsdieren wordt streng geselecteerd tijdens de opfokperiode. Uitgeselecteerde dieren worden tussentijds afgeleverd voor de slacht. Op de legbedrijven voor de productie van broedeieren is de gebruikelijk bezetting een stuk lager dan op de vet mesterijen; grofweg 2 hennen en 1 haan per m2.

In de ‘vermeerderingsbedrijven’ moeten kalkoenhanen en -hennen zorgen voor de eierproductie waaruit de vleeskalkoenen voor menselijke consumptie geboren worden. In tegenstelling tot de ouderdieren van plofkippen leven kalkoenhanen en -hennen in aparte stallen. Ten gevolge van het selectief doorfokken van kalkoenen op meer gewicht brengt natuurlijke paring teveel problemen met zich mee. De zware hanen zouden de hennen te ernstig verwonden. Bij de hanen wordt sperma afgetapt om de hennen kunstmatig te bevruchten. 1

Broederij

De eieren worden kunstmatig uitgebroed in broederijen. In Nederland is er één kalkoenbroederij: Coolen BV in Heythuysen. In België is dat broederij Claeys uit Kruishoutem.

In 2015 nam pluimveefokbedrijf Hendrix Genetics een controlerend belang in kalkoenbroederij Coolen. Hendrix Genetics is wereldmarktleider in de kalkoenenfokkerij met het merk Hybrid. Broederij Coolen levert zo'n 70 procent van de in Nederland gemeste kalkoenkuikens. Het merendeel bestond uit de BUT Big 6, de meest populaire kalkoen van het Duitse fokbedrijf Aviagen en met name zusterbedrijf British United Turkeys, concurrent van Hendrix Genetics. 1 Omdat vooral de Duitse slachterijen steeds zwaardere dieren vroegen, gingen Nederlandse kalkoenhouders op zoek naar een alternatief type. Hierdoor kwam de Converter van Hybrid in beeld, omdat dit type kalkoen wellicht gemakkelijker is te houden en minder uitval kent.

Op termijn wil Hendrix Coolen geheel inlijven. Pluimveefokkerijbedrijf Financière Grelier Holding uit Frankrijk is sinds 2011 ook een dochteronderneming van Hendrix Genetics. Voor het fokbedrijf zal de nieuwe positie in Nederland een belangrijke rol gaan spelen in de leveranties aan Duitsland en als exportbasis voor markten buiten Europa.

Daarnaast zien beide bedrijven grote mogelijkheden in de verdere ontwikkeling van de meer traditionele kalkoenen. Coolen is al actief met donker bevederde bronzen kalkoenen. Hendrix Genetics heeft naast de standaard Hybrid XL en Hybrid Converter ook een langzamer groeiende Orlopp Bronze kalkoen. 2

Alle broederijen leveren kuikens, soms reeds gescheiden in hanen en hennen, aan de kalkoenmesterijen in Nederland en België als de kuikens één dag oud zijn, soms met de tussenstap van de speciale opfokbedrijven.

Niet iedere Nederlandse en Belgische vleeskalkoenhouder begint met een koppel kalkoenen, een groep die tegelijk geboren zijn, in de opfok vanaf één dag oud. Aangezien de opfok zo nauwkeurig is en kuikens erg gevoelig zijn, zijn er ook boeren die dit proces overlaten aan speciale opfokbedrijven in bijvoorbeeld Duitsland en de jeugdige kalkoenen ontvangen vanaf dat ze vijf weken oud zijn. Dan begint grootbrengen van de kalkoenen - het vetmesten voor de slacht.

In 2017 kwam 90% van 20.800 kalkoeneendagskuikens om tijdens een transport van Canada naar Schiphol, waarschijnlijk door onderkoeling. De eendagskuikens waren bestemd voor een vleeskalkoenenbedrijf in Polen. 3

Bezettingsgraad

“Dat er een relatie bestaat tussen beschikbare ruimte en welzijn (en de gezondheid) van de dieren valt moeilijk te ontkennen. In meerderheid was men in de Werkgroep [kalkoenhouderij van de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA)] van oordeel dat het welzijn van de dieren toeneemt, naarmate de bezettingsdichtheid afneemt. Op wetenschappelijk onderzoek gefundeerde toelaatbare normen voor de bezetting waren echter niet voorhanden.”

Als een stal geruimd is, wordt deze schoongemaakt en ontsmet. Zodra de stal is opgedroogd, wordt hij ingestrooid met een laag houtkrullen en verwarmd met gasbranders, zodat deze klaar is voor de ontvangst van de (gesekste) kuikentjes voor een volgende vetmestronde. Er is vaak een tussenperiode van enkele dagen tot enkele weken, bepaald door de planning van de integratie en/of slachterij. De eendagskuikens worden vooraf gevaccineerd tegen Newcastle Disease (pseudo-vogelpest) en TRT. Later in ‘de ronde’ worden die vaccinaties herhaald via het drinkwater.

In de eerste 3 tot 5 weken worden de dieren in één stal (met een gazen tussenwand of een afscheiding met hekwerk) ondergebracht, dat scheelt verwarmingskosten. Er wordt begonnen met een hoge staltemperatuur die binnen een week wordt afgebouwd.

Vanwege de verschillen in groeicapaciteit en slachtgewicht en -leeftijd worden de hanen en hennen apart vetgemest. In de eerste levensweken worden ze wel samen in één stal gehouden, maar door het snelle groeiproces wordt de beschikbare stalruimte algauw te krap. Na 21 dagen tot 5 weken verhuizen de hanen dan naar de hanenstal en krijgen de hennen de volledige stal voor zich. Ook na de scheiding hebben de snelgroeiende hanen en hennen weinig ruimte.

Het Besluit houders van dieren zegt in § 6.3 Houden van vleeskalkoenen voor productie, Artikel 2.76d Bezettingsdichtheid

  1. Vleeskalkoenen worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:
    a. 58 kg/m2 voor mannelijke dieren;
    b. 48 kg/m2 voor vrouwelijke dieren.

  2. Dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:
    a. 56 kg/m2 voor mannelijke dieren;
    b. 49 kg/m2 voor vrouwelijke dieren.

  3. Ouderdieren worden zodanig gehouden dat de bezettingsdichtheid niet hoger is dan:
    a. 46 kg/m2 voor mannelijke dieren;
    b. 29 kg/m2 voor vrouwelijke dieren.

  4. Indien in een stal verrijkingselementen zijn aangebracht die door de vleeskalkoenen kunnen worden aangeraakt en die geschikt zijn om ten minste 10% van die dieren in de stal tegelijkertijd afleiding te bieden, bedraagt de bezettingsdichtheid voor vleeskalkoenen, in afwijking van het eerste lid:
    a. 59 kg/m2 voor mannelijke dieren;
    b. 49 kg/m2 voor vrouwelijke dieren.

Het komt erop neer dat, wanneer de dieren de slachtleeftijd naderen, er 3 hanen of 5 hennen per vierkante meter gehouden worden.

Alleen al het feit dat levende, voelende wezens worden aangeduid als een hoeveelheid gewicht per oppervlaktemaat geeft aan hoe weinig respect er voor de intrinsieke waarde van deze dieren is; het zijn producten, dingen.

De dieren worden na 14 weken gewogen. Een vetmestronde duurt 15 tot 16 weken voor de hennen en 18 tot 21 weken voor de hanen. Dan worden de dieren naar het slachthuis gevoerd. Een houder kan dus ongeveer drie ronden per jaar doen. Het slachtgewicht voor hanen ligt tussen de 15 en 20 kilo, voor hennen op 9 tot 10 kilo. 1
Henk Jenniskens: “We krijgen ze als eendagskuikens van de broederij aangeleverd. Haantjes en hennen zijn dan al gescheiden. De hennen blijven zestien weken bij ons. Dan wegen ze tien kilo. Hanen zijn hier twintig weken. Zij wegen twintig kilo als ze naar de slachterij gaan.”

Dat deze dieren ruim ouder worden dan plofkippen wil niet zeggen dat ze als volwassenen naar de slacht gaan. Een kalkoen is pas na ongeveer 30 weken geslachtsrijp en ook deze kalkoenen zijn dus nog kinderen als ze sterven.

Kleine sector, groot leed

Ondanks het feit dat voetzoollesies veel voorkomen (zo’n 40 tot 50%), is pikkerij de belangrijkste oorzaak voor sterfte en selectie van kalkoenen. Uitval door kannibalisme kan meer dan 20% bedragen en het is daarmee een belangrijk welzijnsprobleem bij kalkoenen.

Tot ‘uitval’ wordt gerekend de dieren die dood van het bedrijf worden afgevoerd en ter destructie worden aangeboden. De ‘uitval’ van kalkoenen wordt echter niet verzameld door de overheid.

Toch weten we dat de kalkoensector wordt gekenmerkt door een bijzonder hoog uitvalpercentage. 5% van de kalkoenhennen en maar liefst 8 tot 12% van de hanen sterft vroegtijdig. De hoge sterftecijfers zijn te wijten aan diverse problemen op gebied van welzijn en gezondheid.

Het Besluit houders van dieren zegt in § 6.3 Houden van vleeskalkoenen voor productie, Artikel 2.76c Registratie

  1. De houder van vleeskalkoenen of ouderdieren registreert per koppel de volgende gegevens:
    a. het aantal binnengebrachte vleeskalkoenen of ouderdieren;
    b. het aantal vleeskalkoenen of ouderdieren dat vanwege een natuurlijke oorzaak is gestorven of is gedood, per dag;
    c. het totale levend gewicht van de vleeskalkoenen of ouderdieren bij aflevering aan het slachthuis, binnen twee weken na die aflevering.

  2. De houder van vleeskalkoenen registreert ten hoogste een maand na aflevering van een koppel het uitvalpercentage van mannelijke en van vrouwelijke vleeskalkoenen en de oorzaak van de sterfte, indien dat percentage hoger is dan:
    a. 5% bij een koppel vrouwelijke dieren;
    b. 9% bij een koppel mannelijke dieren.

  3. De gegevens, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden drie jaar bewaard.

Verdrukking

Reeds bij het begin van een vetmestronde, als de kuikens pas in de stal aangekomen zijn, bestaat het risico op ‘doodliggertjes’. De kleine kuikens hebben de neiging om samen te troepen in de stal, waardoor ze elkaar kunnen verstikken.

Vlak voor de slacht wordt het ongelofelijk dichtbevolkt in de stallen. Dieren die in slechte gezondheid zijn kunnen water en voer mogelijk niet meer bereiken.

Zitstokken

Ondanks het feit dat wilde kalkoenen net als kippen ’s nachts in bomen slapen ontbreken zitstokken in de huidige kalkoenhouderij.

Waarschijnlijk zouden ‘commerciële’ kalkoenen later in ‘de ronde’ door fysieke beperkingen ook niet meer in staat om gebruik te maken van zitstokken omdat de dieren dan te zwaar zijn geworden.

Selectie op snelle groei en hoog gewicht

“Het huidige fokproduct kent welzijns- en gezondheidsproblemen vanwege de ver doorgevoerde selectie op groei, bevleesdheid en voerconversie,” zei de Werkgroep kalkoenhouderij van de Raad voor dierenaangelegenheden in hun rapport van augustus 2000, en daar is weinig aan veranderd. De commissie benoemde specifiek “gezondheids- (en welzijns-) problemen die (mede) veroorzaakt worden door de fokkerij”

Een ernstige, veel voorkomende bewegingsstoornis die in verband wordt gebracht met groeisnelheid en leidt tot loopproblemen is tibiale dischondroplasie (TD), een pootafwijking. TD heeft een genetische basis. Algemeen wordt gesteld dat er bij zwaardere rassen meer afwijkingen van spier- en skeletsystemen ontstaan. Algemeen wordt ook aangenomen dat de stoornissen aan het bewegingsapparaat bij kalkoenen een gevolg zijn van de genetische selectie op productiekenmerken. Door genetische selectie hebben kalkoenen de laatste 10 jaar volgens onderzoek minder last van pootproblemen. Pootdefecten daalden tussen 2006 en 2013 van 10 % naar 4 % in BUT 6 fokkalkoenen, en tibiale dyschondroplasie daalde van 30 % naar 4 %.

Als gevolg van het selectief doorfokken op groeisnelheid en extreme borstvleesontwikkeling kan het beenderstelsel zich niet goed ontwikkelen. De dieren zijn hierdoor fysiek beperkt in hun normale en comfortabele bewegingspatroon. Bepaalde zwaardere en snel groeiende rassen zijn minder actief dan minder zware, minder snel groeiende rassen. Bij minder activiteiten van de dieren is de kans op het ontstaan van pootafwijkingen groter.

De ongewenste gedragingen verenpikken en kannibalisme hebben waarschijnlijk gedeeltelijk een genetische basis.

De ver doorgevoerde selectie op snelle groei kan ertoe leiden dat de longen en het hart de ontwikkeling niet kunnen bijhouden, met als gevolg dat ascites (opeenhoping van buikvocht) en ongebalanceerde groei kunnen optreden. Hart en circulatieproblemen zoals aortarupturen kwamen veelvuldig voor.

Licht

Ook in het uiten van natuurlijk gedrag zijn kalkoenen beperkt in de fokkerijen. Licht en lichtschema’s worden door de kalkoenhouder gebruikt om het gedrag van een koppel te beïnvloeden.

Natuurlijk geventileerde stallen kennen een enigszins natuurlijke dag- en nachtritme. In mechanisch geventileerde stallen wordt met kunstlicht een ritme nagebootst. Het ontbreken van natuurlijk daglicht in een stal bemoeilijkt herkenning en dus sociale contacten tussen de kalkoenen.

Om kalkoenkuikens de eerste dagen te helpen bij het vinden van voer- en drinkbakken wordt een hoge lichtintensiteit gegeven, 30 tot 100 lux. Daarna moet de lichtintensiteit meestal snel worden verlaagd tot ca. 10 lux om problemen met pikkerij en kannibalisme te beperken. Dit mag alleen curatief, aangezien de lichtsterkte op ‘dierniveau’ normaal gesproken tenminste 20 lux moet zijn.

Het Besluit houders van dieren zegt in § 6.3 Houden van vleeskalkoenen voor productie, Artikel 2.76g Verlichting

  1. Onverminderd artikel 2.5, eerste en tweede lid, worden vleeskalkoenen en ouderdieren gehouden in een ruimte waar een aaneengesloten rustperiode wordt gehanteerd van ten minste acht uur per etmaal, waarin die ruimte niet of nauwelijks kunstmatig wordt verlicht.

  2. De lichtintensiteit in een ruimte bestemd voor vleeskalkoenen of ouderdieren bedraagt op dierhoogte ten minste 20 Lux, tenzij een lagere lichtsterkte tijdelijk noodzakelijk is om letsel als gevolg van pikkerij te voorkomen.

Door het toelaten van daglicht in de stallen kunnen kalkoenen ook meer details in hun omgeving waarnemen bij daglicht. Bij kippen is bekend dat blootstelling aan daglicht de dieren minder angstig maakt.

Voer

Kalkoenen zijn gevoelig voor een niet optimaal voedingspakket. De productieperiode is onderverdeeld in fasen, waarbij in elke fase een op de behoefte afgestemd voer ter beschikking wordt gesteld, maar allen zijn eentonig en onbeperkt.

Hoewel de kalkoen een alleseter is, krijgt het in de praktijk een uniform rantsoen. Door de gehele stal hangen voer- en drinkbakken waar de kalkoenen onbeperkt uit kunnen drinken en eten als ze dat willen. Dit uitgebalanceerde dieet voldoet aan de puur fysiologische behoefte en de dieren zijn relatief snel klaar met eten.

De voeding die de kalkoenen voorgeschoteld krijgen komt dus niet tegemoet aan de behoefte tot foerageren; het zelf, al scharrelend, voedsel zoeken. Kalkoenen in gesloten stallen vertonen amper scharrelgedrag, wat weer tot andere verwikkelingen kan leiden – zoals poot- en voetzoolproblemen.

Door een meer gevarieerd voer aan te bieden, zoals losse, hele tarwe, kan het voedsel zoek gedrag worden gestimuleerd. Voedsel is echter een puur economische factor in de veeindustrie: “In de periode 2008 tot en met 2012 behaalden vleeskuikenhouders gemiddeld een voerwinst van € 61 per m2, en kalkoenhouders € 54. In de periode 2013 tot en met 2017 was de gemiddelde voerwinst van vleeskuikens gemiddeld € 73 per m2 en die van kalkoenen € 53. De voerwinst bij vleeskuikens was gemiddeld met € 12 gegroeid, die van vleeskalkoenen met gemiddeld een euro gedaald.” 1

Kalkoenouderdieren worden, net als plofkipouderdieren, ‘kwalitatief beperkt’ in nutriëntenopname, omdat ze anders te zwaar worden waardoor “de reproductieparameters verslechteren”. Ze zijn met andere woorden eerder opgebruikt en zakken door hun poten als ze onbeperkt kunnen eten. Tot 20 weken leeftijd wordt vaak onbeperkt gevoerd, waarna de kwalitatieve voerbeperking wordt ingevoerd. Via verlaging van het ruw eiwitgehalte in de voeders wordt getracht het gewicht van de dieren volgens een bepaalde curve te laten verlopen.

Stalklimaat

De temperatuur, luchtsnelheid, relatieve vochtigheid, stofniveau en andere atmosferische omstandigheden in de stallen hebben een grote invloed op het welzijn en de gezondheid van kalkoenen.

Kalkoenen worden of gehouden in mechanisch geventileerde stallen of in stallen met natuurlijke ventilatie, de zogenaamde daglichtstallen. Om voldoende toevoer van frisse lucht en zuurstof te waarborgen dient natuurlijke ventilatie veelal ondersteund te worden door mechanische ventilatie. Kalkoenen hebben gevoelige luchtwegen. In de gesloten stallen ontwikkelen ze snel ademhalingsproblemen omdat de mechanische ventilatie ontoereikend is.

Overventilatie kan echter weer leiden tot ontstoken luchtwegen en TRT (Turkey Rhinotracheitis), bij kalkoenhouders bekend als ‘het snot’. Aandoeningen kunnen zowel door virussen (TRT, Adeno en NCD) als bacteriën (ORT, E-coli, mycoplasma en Pasteurella) veroorzaakt worden.

De heersende ammoniaklucht en het gebrek aan verse buitenlucht, veroorzaken oog- en ademhalingsproblemen bij de kalkoenen.

Het Besluit houders van dieren zegt in § 6.3 Houden van vleeskalkoenen voor productie, Artikel 2.76f Stalklimaat

  1. Indien vleeskalkoenen en ouderdieren worden gehouden in een ruimte die mechanisch wordt geventileerd bedraagt de luchtverversingscapaciteit ten minste 4 m3 per kg levend gewicht per uur.

Uitlopen bieden een betere luchtsamenstelling dan in de stal en in Duits onderzoek (Berk, 2006) wordt geconcludeerd dat met uitlopen minder ademhalingsaandoeningen verwacht mogen worden. Uitlopen brengen echter weer andere problemen met zich mee.

Temperatuur

Kalkoenen zijn gevoelig voor grote temperatuurschommelingen, evenals voor te hoge temperaturen. De zeer jonge dieren worden door middel van plaatselijke verwarming op de juiste temperatuur gehouden.

Het Besluit houders van dieren zegt in § 6.3 Houden van vleeskalkoenen voor productie, Artikel 2.76f Stalklimaat

  1. Een koppel vleeskalkoenen of dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier worden de eerste vijf dagen na aankomst op het bedrijf waar ze worden gehouden als vleeskalkoen of worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier in een ruimte gehouden waar de temperatuur op dierhoogte 35 tot 39° Celsius bedraagt.

Strooisel

Het strooisel waarmee de stalvloeren bedekt is, raakt snel bevuild door uitwerpselen. Naarmate de weken vorderen wordt het strooisel in de stal steeds natter van de ontlasting. De dieren staan letterlijk in hun eigen uitwerpselen en urine. Het bevuilde strooisel vormt een broeihaard voor bacteriën en virussen die darmontstekingen, spijsverteringsproblemen en diarree veroorzaken bij de kalkoenen. Spijsverteringsproblemen, die op kunnen treden, zijn het gevolg van virussen: (Corona), bacteriën (Clostridium) en protozoa (Coccidioses en Blackhead), met symptomen als darmontstekingen en diarree.

Het strooisel ligt er bovendien vaak vochtig bij, omdat kalkoenen geen scharrelgedrag vertonen in het fokkerijsysteem, zoals kippen dat wel doen, en het strooisel dus niet omgewoeld wordt. Door in vochtig strooisel te liggen, raakt het verenkleed van de dieren beschadigd. De kalkoenen ontwikkelen borstpukkels en borstblaren. Ook kunnen hierdoor pootproblemen optreden.

Het Besluit houders van dieren zegt in § 6.3 Houden van vleeskalkoenen voor productie, Artikel 2.76e Strooisel

  1. De houder van vleeskalkoenen, ouderdieren van vleeskalkoenen en dieren die worden opgefokt om te worden gehouden als ouderdier van vleeskalkoenen voorziet de stalvloer die niet is gelegen onder de voedsel- of watervoorziening van strooisel.

  2. Het strooisel:
    a. bestaat uit stro of houtkrullen en is niet verontreinigd;
    b. is droog en rul, en heeft een droge stofgehalte van ten minste 80% op het moment dat het in de stal wordt gebracht;
    c. is aangebracht in een laag die dik genoeg is om dieren de mogelijkheid te bieden om een stofbad te nemen, uitwerpselen te absorberen en de stalvloer te isoleren.

Te fijn strooisel heeft een negatieve invloed op het welzijn van de kalkoenhouder en kan longafwijkingen veroorzaken bij de kalkoenen.

Scharrelen

Wilde kalkoenen scharrelen in de natuur evenveel als wilde kippen. In commerciële stallen scharrelen kippen nog steeds, maar kalkoenen bijna niet. Het lijkt erop dat er in de vroege ontwikkeling van exploratief en/of scharrelgedrag bij commercieel gehouden kalkoenen iets mis gaat.

Verenpikkerij

Thea van Niekerk, WUR, september 2016 “De schade die onbehandelde kalkoenen elkaar aandoen is veel groter dan bij kippen en de maatregelen die bij kippen succesvol zijn om pikkerij tegen te gaan, werken niet of nauwelijks bij kalkoenen.” Verderop zegt ze: “Door de geringe omvang van de sector zijn de mogelijkheden tot het financieren van onderzoek zeer beperkt.“ 1

Beschadigingen van huid- en verenkleed ontstaan, behalve door vervuiling ook door verenpikken en kannibalisme, een gedragsstoornis die heel de pluimveesector treft en waar geen kruid tegen gewassen lijkt.

Bij kalkoenen hebben zowel de wilde kalkoenen als de productierassen altijd een haak aan de snavel. Vergeleken met kippen is de haak bij kalkoenen groter en door hun grotere formaat zullen kalkoenen er ook meer kracht mee kunnen uitoefenen, waardoor de schade groter zal zijn.

Pikkerij komt in de commerciële houderij regelmatig voor, ook bij kalkoenen waarvan de snavel behandeld is. Veerschade wordt vooral aan de vleugels waargenomen. Er zijn twee momenten waarop pikkerij met name waargenomen wordt: op 4 dagen leeftijd als de veertjes doorkomen en vanaf 8 weken leeftijd als de dieren opgroeien. Vooral hanen vertonen veel beschadigend pikgedrag. Diverse onderzoeken toonden aan dat de uitval bij onbehandelde kalkoenen doorgaans tweemaal zo hoog is als bij de behandelde dieren, ondanks verschillende maatregelen tegen pikkerij (behandeld: 5 tot 8%; onbehandeld: 10 tot 16%).

Omstandigheden, die verenpikken in de hand werken, zijn onder andere een prikkelarme leefomgeving, stress, een hoge bezettingsgraad, energierijk en gepelleteerd voer en verkeerde lichtcondities.

Pogingen om verenpikkerij tegen te gaan door bijvoorbeeld het aanbieden van verrijkingsmateriaal in de stal zoals maagkiezel, speeltouwtjes, kettingen, houtwolbalen en strobalen, het voeren van insecten of het beperken van groepsgrootte boden geen oplossing. Alle geteste en toegepaste afleidingsmaterialen trekken wel de aandacht van de dieren, maar dit is steeds van korte duur. De verrijking zou steeds aangepast moeten worden om attractief te blijven voor de kalkoenen.

Het dimmen van het licht tot zeer lage niveaus heeft wel effect, maar dit is vanuit het oogpunt van natuurlijk exploratief gedrag een ongewenste maatregel. In eerder onderzoek van WUR leidde een lichtsterkte van meer dan 5 lux bij onbehandelde kalkoenen veelal tot zeer veel beschadigingen en uitval.

Uit onderzoek is gebleken dat de frequentie van verenpikken in uitlopen, ondanks een lagere dierbezetting, hoger is dan in de stal.

Snavelbehandeling

Zoals gebruikelijk in de veeindustrie werd ook de kalkoen aangepast aan het houderijsysteem, omdat de houderij niet kan voldoen aan de natuurlijke behoeftes van het dier.

Verenpikken kan op iedere leeftijd gebeuren en is natuurlijk gedrag dat normaal zachtjes gebeurt in het kader van de onderlinge rang(pik)orde.

Tot voor kort zocht de sector zijn heil in snavelbehandelingen om schade door verenpikken te beperken. Volgens Europese regelgeving moest dit vóór een leeftijd van 10 dagen gebeuren. Vroeger werd met een heet mes of een schaar het puntje van de snavel gekapt. Sinds 2006 gebeurt dit met de relatief mildere methode van infrarood straling op dag één in de broederij (Nova-Tech methode).

De snavel is bij de kalkoen niet alleen het belangrijkste instrument bij exploreren en foerageren, maar ook bij de verzorging van de veren, het bouwen van een nest en zelfverdediging. In het puntje van de snavel zitten veel zenuwuiteinden die het dier helpen bij het zoeken en oppikken van voedsel en temperatuurwaarneming. Zelfs als het snaveluiteinde terug groeit doen de receptoren dat over het algemeen niet. De tastzin wordt dus blijvend aangetast. Het verwijderen van een gedeelte van de snavel is dus een grove inbreuk op de intrinsieke waarde van het dier.

Bij ouderdieren wordt op ongeveer vijf dagen leeftijd een snavelbehandeling toegepast om de stress van transport en snavel behandelen niet samen te laten vallen. De snavelbehandeling wordt bij vermeerderingshennen op een leeftijd van 26 tot 30 weken, vlak voor ze beginnen met het leggen van eieren, herhaald vanwege de hergroei van de snavelpunt. Bij vermeerderingshanen wordt per dier bekeken of een tweede behandeling van de snavel noodzakelijk is.

Op 1 september 2018 liep in Nederland de vrijstelling voor het snavelkappen bij pluimvee af. Per 1 januari 2019, werd voor leghennen, vleeskuikens en vleeskuikenmoederdieren het behandelen van de snavel definitief verboden. Voor de snavelbehandeling van kalkoenen, legouder en -grootouderdieren, de moederdieren van trager groeiende vleeskuikens, de vaderdieren uit de vermeerderingssector en export eendagskuikens werd echter opnieuw vijf jaar vrijstelling gegeven.

Wageningen Livestock research kwam in 2017 in haar rapport ‘Stand van zaken achterwege laten van ingrepen bij pluimvee’ tot de conclusie dat de maatregelen die bij leghennen met hele snavels succesvol zijn bij het voorkomen of reduceren van beschadigend pikgedrag, bij kalkoenen niet of nauwelijks effect bleken te hebben.

Er is dus geen mogelijkheid gevonden om onbehandelde kalkoenen te houden zonder sterk verhoogde uitval. De Stuurgroep Ingrepen Pluimvee stelt daarom in haar advies van december 2017 voor het snavelkappen bij kalkoenen opnieuw langer toe te staan, om te beginnen tot 1 september 2023. De minister nam dit advies over.

Ondanks snavelbehandeling met infrarood kunnen nog steeds huidverwondingen optreden. Bij commerciële koppels in Duitsland werden bij 13% van de hanen en 14% van de hennen huidverwondingen zoals wonden door pikkerij gevonden op een leeftijd van 16 weken, ondanks infrarode snavelbehandeling.

Andere ingrepen

In het Ingrepenbesluit zoals dit op 1 september 1996 van kracht werd was het verwijderen van de neuslellen van kalkoenen nog toegestaan, maar Wageningen Universiteit en Research constateerde in een literatuurstudie van augustus 2006 dat het verwijderen van neuslellen bij kalkoenen in de praktijk in Nederland niet meer voor komt. In het verleden werd dit vaak gedaan om verwondingen door pikkerij te voorkomen. In de wijziging van het Ingrepenbesluit per 1 januari 2008 is het verwijderen van de neuslellen van kalkoenen geschrapt uit de lijst van toegelaten ingrepen.

KI

De afwezigheid van natuurlijke dekking en de noodzaak van kunstmatige inseminatie (KI) is een groot ethisch probleem, want een ernstig aantasting van de intrinsieke waarde van de kalkoen.

Vermeerderingshanen zijn aanzienlijk zwaarder dan vermeerderingshennen, om via die genetische combinatie snel groeiende jongen te creëren. Het eindgewicht van de hanen is circa 35 kg, van de hennen 12,5 kg. Om ernstige beschadiging bij de hennen te voorkomen en met het oog op een betere selectie van de hanen wordt KI toegepast. Bijkomend voordeel van KI is dat er veel minder hanen nodig zijn voor de bevruchting van alle hennen.

Hoewel natuurlijke paring mogelijk is, zou dit tot verwonding van de hennen kunnen leiden omdat, in tegenstelling tot wilde kalkoen die slechts enkele malen per jaar paren, de hennen wekelijks door de veel zwaardere haan getreden zouden moeten worden.

Kunstmatige inseminatie is ook in sommige andere veehouderijsectoren gangbare praktijk met dezelfde ethische bezwaren. Het gedwongen aftappen van sperma bij mannelijke dieren en gedwongen bezwangeren van vrouwelijke dieren kan gezien worden als seksueel misbruik en geweld.

Om terug te gaan naar een situatie met natuurlijke paringen zal het productiesysteem, oftewel de hele keten, aangepast moeten worden, van het fokken van, tot de vraag naar minder zware dieren.

Vangen

Vangploegen halen de vetgemeste kalkoenen uit de stal en stoppen de dieren in containers voor transport naar Duitse slachthuizen. De dieren worden voor het transport steeds vaker met behulp van mechanische laadsystemen gevangen en geladen. Door de hoge gewichten lopen vooral de hanen risico op beschadigingen (botbreuken, ontwrichting) bij het ‘opkratten’.

Vanwege slacht- en transportcapaciteit wordt een kalkoenstal vaak in fases leeggehaald wat telkens opnieuw de stress van het vangproces voor de achtergebleven dieren oplevert.

Transport - Het exporteren van dierenleed

De Nederlandse kalkoensector draait voornamelijk op de export. De vrachtwagens zijn meerdere uren onderweg en de rit zorgt voor stress bij de dieren.

Bij warm weer is er bijkomend risico op hittestress. Gedurende de zomer van 2018 werd in ieder geval één transport met dode kalkoenen gepakt en beboet. 1

Op 23 juni 2016 vond de politie langs de snelweg een vrachtwagen beladen met kalkoenen geparkeerd staan. De chauffeur hield pauze. De kalkoenen hadden het, volgens de politie, zichtbaar veel te warm, waren sloom en hapten naar lucht. Op dat moment was de buitentemperatuur 29,5 graden Celsius. De vrachtwagen stond in de zon geparkeerd. Het voertuig had geen mogelijkheid de dieren te koelen, anders dan te blijven rijden en door de wind gekoeld te worden. De NVWA adviseerde direct de vrachtwagen te laten vertrekken omdat anders de dieren zeker dood zouden gaan. 2 https://www.transport-online.nl/site/72666/vrachtwagen-met-kalkoenen-gecontroleerd-foto/

In 2018 werd er bij slachthuis Volys Star twee maal een sterftepercentage van meer dan 1% (de interventiewaarde van de FAVV) geconstateerd. Op 23 juli 2018 waren 103 van de 4044 aangevoerde kalkoenen dood, een sterftepercentage van 2,5%. De buitentemperatuur was 30 graden. Op 27 juli 2018 waren 97 van de aangevoerde 4000 kalkoenen dood, een sterftepercentage van 2,3%. De buitentemperatuur was 30 graden.

In Nederland bestaat sinds 2005 geen kalkoenslachthuis meer en Nederlandse kalkoenen gaan vooral naar Duitsland. België heeft nog steeds zijn eigen kalkoenslachthuis.

Terwijl we levende kalkoenen exporteren, importeren we weer kalkoenvlees uit Duitsland, Frankrijk en Groot Brittanië, vooral voor de toenemende vraag rond kerst. Al is er naast de seizoensgebonden vraag naar hele kalkoen voor kerst de laatste decennia er ook een jaarrond vraag naar kalkoendelen zoals filets.

Slacht

Kalkoenen worden elektrisch verdoofd en vervolgens door aansnijden van de halsslagaders verbloed.

Controle; wat houdt het in om kalkoenboer te zijn?

Henk Jenniskens: “Zeker in de eerste weken als we nieuwe kuikens hebben, zorgen we ervoor dat alles optimaal is. De stal, het voer, het water, de temperatuur. Dat luistert die eerste weken extra nauw. Alle stallen zijn weliswaar voorzien van gecomputeriseerde systemen die in verbinding staan met een alarm, maar toch ben ik een paar keer per dag zelf in de stal om te controleren of alles goed gaat.”

Het Besluit houders van dieren zegt in § 6.3 Houden van vleeskalkoenen voor productie, Artikel 2.76i. Controles:

  1. In afwijking van artikel 2.4, tweede lid, worden vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.

  2. In afwijking van artikel 2.5, achtste lid, wordt de apparatuur die noodzakelijk is voor de gezondheid en het welzijn van vleeskalkoenen en ouderdieren ten minste tweemaal per dag gecontroleerd.

  3. De houder van vleeskalkoenen en ouderdieren controleert tweemaal per dag de kwaliteit van het strooisel.

Blackhead, nachtmerrie van de kalkoenenhouderij

Een wereldwijd gevreesde ziekte in de kalkoenhouderij is ‘Blackhead’ ook wel histomoniasis, histomonosis of zwartekoppenziekte genoemd. Het is een parasitaire ziekte die necrotiserende ontstekingen in de blindedarm en de lever veroorzaakt. Als gevolg hiervan treedt er een gele verkleuring op van de feces. Het sterftecijfer bij een uitbraak ligt tussen 50 en 100%.

Blackhead wordt veroorzaakt door de protozoön (eencellige) parasiet Histomonas meleagridis. Deze kan zich nestelen in regenwormen, waarin het gedurende lange tijd kan overleven (zonder gastheer sterft het na enkele minuten). Door het eten van regenwormen kan een kalkoen dus besmet raken. In de kalkoen kan de parasiet ook een kleine spoelworm, Heterakis gallinarum, infecteren die zich voornamelijk in de blindedarm van kalkoenen ophoudt. Deze spoelworm kan als tussengastheer grote aantallen geïnfecteerde eitjes produceren die uiteindelijk in de mest terechtkomen.

Besmetting van kalkoenen (eindgastheer) kan plaatsvinden via besmet strooisel. Kratten of stallen waarin eerst ander pluimvee is gehouden kan ook een bron van besmetting zijn. Vleeskuikens kunnen bij besmetting met de parasiet enkel drager zijn en geen visuele symptomen vertonen. De eitjes van de spoelworm zijn zeer resistent tegen verhitting, kou en vele ontsmettingsmiddelen, waardoor een eenmaal besmet bedrijf gedurende zeer lange tijd besmet kan blijven.

Symptomen van Blackhead zijn lusteloosheid, afhangende vleugels, en donkerrode verkleuring van de kophuid door een gebrekkige zuurstofopname. Vooral bij jonge dieren kan de ziekte zeer acuut verlopen, zodat ze reeds enkele dagen na het optreden van de eerste verschijnselen sterven. Oudere dieren zijn meestal langer ziek en vermageren vaak voordat ze sterven. Blackhead is een onvoorspelbare ziekte. Uitbraken kunnen plots optreden, vooral bij warm en vochtig weer.

In de voorbije 10 jaar bouwde de infectiedruk zich gestaag op, met diverse getroffen Duitse, Franse, Nederlandse en Belgische kalkoenbedrijven. Er is geen vaccin en het laatste commercieel verkrijgbare anti-histomonasmiddel is verboden in Europa, net als het preventieve gebruik van antibiotica in diervoeders.

De kalkoenen die de ziekte overleven zijn pas na drie tot vier weken uitgeziekt. Hun lijden kan in de tussentijd niet verlicht worden.Een belangrijke reden waarom je geen grote aantallen kalkoenen bij elkaar moet opsluiten.

In 2011 is de ziekte drie keer uitgebroken op een kalkoenenbedrijf. Op een totaal aantal kalkoenbedrijven van, toen, 48 is dat relatief vaak.

Andere ziektes

De kalkoenhouderij kent over het algemeen geen ‘all in, all out’ systeem vanwege het verschil tussen hennen en hanen in slachtleeftijd. Het twee-leeftijden-systeem, waarbij de oude hanen in hun laatste drie weken samen met de nieuwe kuikens op het bedrijf zitten, draagt niet bij aan de diergezondheid. Wegens het achterwege blijven van ‘all in, all out’ lopen de jonge kuikens het risico besmet te raken door de hanen op het bedrijf. 1

TRT (Turkey Rhino Tracheïtis), ook wel aviaire metapneumovirus (AMPV) of dikkekoppenziekte, is een ademhalingsziekte, die met enige regelmaat bij kalkoenen en soms bij kippen voorkomt. “Rhino tracheïtis” betekent letterlijk ontsteking van neus en luchtpijp. De ziekte verschijnselen bestaan o.a. uit ontstoken en gezwollen slijmvlies van de neus, neusbijholten en de luchtpijp, waardoor de dieren snotteren of rochelen. Tevens ziet men vaak dikke koppen en houden de dieren de kop scheef of hebben een draainek. Dit komt omdat het middenoor ook vaak ontstoken is, waardoor het evenwichtsorgaan is aangetast. 2

Newcastle disease (ND), ook wel pseudovogelpest genoemd, is een zeer besmettelijke ziekte bij vogels, welke wordt veroorzaakt door een aviair Paramyxovirus (PMV). Kippen, kalkoenen, kwartels, duiven, struisvogels en kanaries zijn zeer gevoelig voor Newcastle disease. Een besmetting met PMV veroorzaakt immunologische reacties. Bij een agressief virus kunnen dieren binnen een tot drie dagen sterven. In Nederland is het verplicht om bedrijfsmatig gehouden kippen en kalkoenen te vaccineren tegen Newcastle disease. 3

Iedere ziekte tast het welzijn van de kalkoenen aan.

Daarnaast worden bij grote ziekte uitbraken zowel zieke als gezonde dieren geruimd. Ook bijvoorbeeld een broederij kan dan zijn dieren niet meer kwijt. Henk Coolen vergasten in 2003 vier weken lang elke week 40 duizend kuikentjes die in zijn broedmachines uit het ei waren gekropen. 4

In maart 2017 kwam er een Duits schandaal naar buiten. Het Duitse Openbaar Ministerie onderzocht of kalkoenbroederijen in de deelstaat Niedersachsen de wet overtraden door bijna 560.000 gezonde eendagskuikens te doden vanwege de vogelgriep uitbraken. In de Kreis Cloppenburg in de deelstaat Niedersachsen werden begin 2017 bijna dagelijks kalkoenbedrijven geruimd vanwege vogelgriep. Vanwege de vogelgriep uitbraken mochten de kuikens niet worden geëxporteerd. Ook konden ze niet op bedrijven in de eigen regio geplaatst worden. Het grootste deel van deze kuikens werd vergast, maar een deel vond ook de dood via een shredder. 5

Antibiotica

Een vleeskalkoen in de bioindustrie is gevoelig voor ziektes en infecties. Om de dieren ondanks al die problemen op de been te houden wordt veel antibiotica gebruikt, met het risico op het ontstaan van ook voor de mens gevaarlijke (multi-)resistente bacteriën tot gevolg. Antimicrobiële resistentie (AMR) is een wereldwijd probleem voor de volksgezondheid en de diergezondheid en antibioticagebruik is de belangrijkste oorzaak van AMR. 1

Onder overheidsdwang is het antibioticagebruik ook in de kalkoensector verminderd. Kalkoenbedrijven worden pas enkele jaren gevolgd door de Autoriteit Diergeneesmiddelen (SDa) en het gebruik varieert relatief veel tussen bedrijven. Na eerdere stijgingen van het gebruik in 2014 en 2015, lieten 2016, 2017 en 2018 dalingen zien. Ten opzichte van 2013, het eerste jaar dat het gebruik werd gemonitord, is een daling van 40,6% bereikt. Het antibioticagebruik ligt in de kalkoenhouderij echter nog steeds vele malen hoger dan bij bijvoorbeeld vleeskuikens en varkens en heeft samen met vleeskalveren en konijnen het hoogste niveau van alle sectoren. 2

Het aandeel derde keuze antibiotica is in alle sectoren onder de 1%, met uitzondering van de kalkoenen (2018: 3,6%). De inzet van derde keus (kritisch voor de mens als laatste redmiddel) middelen is problematisch. De SDa streeft ernaar dat dierhouders de derde-keuze middelen helemaal niet meer inzetten. De inzet van deze middelen betreft vooral de opfokperiode. Veel alternatieven bij jonge kalkoenen zijn er niet: het gebruik van Trimethoprim-Sulfa preparaten is onmogelijk: de dieren stoppen direct met drinken. Dit probleem treedt ook regelmatig op bij de inzet van Doxycycline bij jonge dieren. Er blijven daardoor zeer weinig middelen over bij de bestrijding van hoge sterfte door een E.Coli sepsis. Ook een uitbraak van bijvoorbeeld blackhead heeft meteen gevolgen voor het antibioticagebruik bij kalkoenen. 3 4

In België liet 2018 een daling in het gebruik van antibiotica bij dieren zien van 12,8%, de grootste daling sinds het referentiejaar 2011. Dat melden de federale overheid en het kenniscentrum voor antibioticaresistentie Amcra. Op 27 februari 2017 werd gestart met de verplichte registratie door de dierenartsen van het gebruik van antibiotica bij ‘braadkippen’, leghennen, vleeskalveren en varkens in Sanitel-Med, de centrale databank van de overheid. De registratie van het antibioticagebruik bij melk- en vleesvee, kleine herkauwers, paarden, kalkoenen, konijnen en andere (huis)dieren in Sanitel-Med is momenteel echter nog niet verplicht.

In alle sectoren zie je een afvlakking van de reductie na een aantal jaren en vervolgens treedt stilstand op. De verplichting van een reductie in antibioticagebruik kan er toe leiden dat zieke dieren eenvoudig weg niet meer behandeld worden.

Regelgeving

Op 24 september 1998 verzocht de Directeur Landbouw van het Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij in Nederland aan de Raad voor dierenaangelegenheden (RDA) om een streefbeeld op te stellen voor de kalkoenhouderij, als reactie op kritiek vanuit de maatschappij op de wijze waarop kalkoenen worden gehouden. Informatie- en Kenniscentrum Landbouw werd verzocht een startnotitie op te stellen, die als basisdocument zou kunnen dienen voor overleg in de ingestelde Werkgroep kalkoenhouderij. De resultaten van het overleg werden niet in een streefbeeld vast gelegd, maar in een advies voor vijf jaar “om enerzijds het welzijn van de dieren te verbeteren en eventuele welzijnsbedreigende ontwikkelingen te voorkomen en anderzijds de bedrijfsmatige kalkoenhouderij in ons land in stand te houden.”

“Uitgangspunt voor dit advies is dat chronische stress symptomen, zoals gestoord gedrag, orgaan- en weefselbeschadigingen, verhoogde ziektegevoeligheid, angst- en pijnuitingen en verminderde vitaliteit, niet structureel dienen voor te komen. Soorteigen gedrag, zoals vleugels uitslaan, lopen, exploreren en foerageren, dient ongestoord mogelijk te zijn.”

“De omstandigheden waaronder kalkoenen worden gehouden moeten zodanig zijn dat de dieren de gelegenheid hebben om natuurlijke gedragingen als sociaal gedrag, lopen, rennen, poetsen, stofbaden, rekken en strekken, mesten, eten en drinken uit te voeren. De klimatologische omstandigheden moeten adequaat beheerst kunnen worden en optimale gezondheid moet gewaarborgd zijn.”

“Naast deze aspecten is het van groot belang dat de dieren worden verzorgd door voldoende personen die over de nodige vaardigheden, kennis en vakbekwaamheden beschikken.”

“De werkgroep heeft moeten constateren, dat op meerdere voor het welzijn en de gezondheid van kalkoenen in de Nederlandse kalkoenhouderij belangrijke onderdelen onvoldoende wetenschappelijke kennis aanwezig is.” 1

In 2002 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, aan het Productschap Pluimvee en Eieren gevraagd regelgeving op te stellen voor de kalkoenenhouderij, gebaseerd op het door de RDA vastgestelde advies uit 2000. Hierin is in 2003 voorzien door het van kracht worden van de verordening welzijnsnormen vleeskalkoenen, nu opgenomen in de Wet dieren en Besluit houders van dieren. 2

In België is er nauwelijks regelgeving specifiek voor kalkoenen. Na Gaia's beelden van oktober 2019 zei Alex Casteele namens de sector: “Al 20 jaar werken we intensief samen met de kwekers, de voederleverancier en de slachterij volgens een nauwkeurig lastenboek opgelegd door de supermarkten. Zij houden dierenwelzijn, dierbezetting en hygiëne nauwlettend in het oog. Elke kweekronde krijgen we bovendien bezoek van een onafhankelijke controledienst. De eisen verstrengen, maar we hebben er geen enkel probleem mee om aan alles te voldoen. Zieke en dode dieren? Als je 6.000 mensen bij elkaar plaatst, zal er ook wel eens een zieke tussen zitten. Dat kan je nooit vermijden.”

Minister van dierenwelzijn Ben Weyts reactie was: “Dit zijn confronterende beelden, maar dit is hoe industriële vleesproductie er uit ziet. Dit is misschien een schok voor veel mensen die hun kerstmenu aan het voorbereiden zijn, maar zo gaat het er helaas vaak aan toe. Dan zijn er twee oplossingen. Enerzijds ga ik aan tafel met de sector. Ik wil het welzijn van veel diergroepen versterken, ook van ‘vergeten dieren’ zoals de kalkoenen. Er komen gesprekken met de pluimveesector over onder andere de uitfasering van kooisystemen en ik neem deze beelden zeker mee naar die gesprekken. Anderzijds kan ook de consument zelf beslissen om bijvoorbeeld heel bewust bio-producten te kopen. Ook elke klant kan hier invloed hebben, met de keuzes die hij maakt in de winkel.” 3

Beter Leven Keurmerk kalkoenen

Sinds 1 oktober 2017 ligt het BLK-kalkoenenvlees via slachterij Esbor en hun verwerker GroenlandKip in de schappen van supermarktketen Jumbo en Superunie. Om in aanmerking te komen voor een ster is een overdekte uitloop nodig en mogen minder dieren per vierkante meter gehouden worden. Verder is er daglicht en alleen curatief antibiotica- en medicijngebruik. Ook zijn er speeltjes en stropakken als afleidingsmateriaal. Daarnaast wordt er voor langzamer groeiende rassen gekozen. De dieren worden groter en ouder. Een gangbare kalkoenhaan van 21 weken weegt circa 20 kilo. Een BLK-kalkoen is na 21 weken gemiddeld drie kilo lichter. 1

Net als alle één-ster BLK-systemen zijn de omstandigheden waaronder de dieren leven maar een fractie beter dan in het ‘gangbare’ systeem en komen er nieuwe problemen om de hoek kijken.

Het verbod op histostatica in kalkoenenvoeders en het ontbreken van andere preventieve of curatieve middelen tegen histomoniasis vormt een belemmering voor de verdere ontwikkeling van uitlopen bij kalkoenen (zowel overdekte als vrije uitloop). Ook bij binnenhuisvesting treedt soms Histomoniasis op.

Net als bij het overige pluimvee is bij systemen met uitloop een groter risico op besmetting met Salmonella en Campylobacter en op predatie en ongelukken. Er is relatief weinig onderzoek gedaan naar voedselveiligheid in kalkoenhouderijsystemen met uitloop.

Opgedrongen dierenleed

Ondanks alle promotiecampagnes blijft kalkoenvlees weinig populair in onze streken, met uitzondering van de kerstdagen misschien. Pas in de jaren ’60 verscheen kalkoenvlees bij ons op het menu en pas vanaf 1970 werd de kalkoen populair op het kerstmenu.

In België bedraagt de gemiddelde jaarconsumptie van kalkoenvlees 1,2 kilo per hoofd van de bevolking. In Nederland is dat 1 kilo. Zelfs bij 2 kilo, zou Nederland nog zelfvoorzienend zijn en daarom wordt er vooral aan Duitsland geleverd. In landen als Duitsland, Oostenrijk of Italië bedraagt de gemiddelde jaarconsumptie van kalkoenvlees zes kilo per hoofd van de bevolking. 1

De gezondheidsproblemen en hoge ‘uitval’ worden veroorzaakt door het houderij systeem, de selectie op snelle groei en hoog gewicht, en de economische afwegingen die de behandeling van de dieren bepalen. Vooral het leed door pikkerij en het hoge risico op catastrofale ziekte uitbraken schreeuwen om een verbod op deze sector. Poultry Vets zegt: “De vleeskalkoenen sector staat al jarenlang onder druk, vooral door grote ziekterisico’s en calamiteiten.” 2 Daarnaast levert het hoge antibiotica gebruik van de sector een gevaar op voor de volksgezondheid.

‘Kalkoen op de feesttafel’ is een gebruik dat ons door een op geld beluste industrie werd opgedrongen. Je hoeft geen deel te hebben aan dit dierenleed. Schrap de kalkoen van je menu en vervang hem of haar door plantaardige alternatieven.