Main content

Inhoud

Aantallen dierproeven en proefdieren in Nederland

De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) publiceert jaarlijks een rapport met daarin de jaarcijfers over het aantal dierproeven en proefdieren in Nederland. Het rapport is een belangrijk meetmoment voor politici en dierenorganisaties om te bepalen of het overheidsbeleid om dierproeven terug te dringen succesvol is. Animal Rights heeft de meest recente cijfers van 2015, 2016 en 2017 bestudeerd en voor je op een rijtje gezet: 1 2 3

1. Om hoeveel dierproeven gaat het eigenlijk?

In 2017 werden er volgens de Europese registratie 477.550 dierproeven uitgevoerd, in 2016 waren dat er 403.370 en in 2015 ging het om maar liefst 479.580 experimenten. Het aantal daadwerkelijk gebruikte proefdieren was lager omdat proefdieren soms ook opnieuw gebruikt worden in experimenten. Een dierproef komt pas in het NVWA-rapport zodra de proef is afgerond.

Volgens de Nederlandse registratie werden er veel meer dierproeven uitgevoerd: in 2017 ging het om 530.568 dierproeven, in 2016 om 449.874 dierproeven en in 2015 om 528.159 dierproeven.

2. Wat is het verschil tussen de Europese registratie en de Nederlandse registratie?

In de Nederlandse registratie wordt het aantal dieren gedood zonder voorafgaande handeling wel meegenomen, in de Europese registratie niet. Het gaat onder andere om proefdieren die gedood worden voor hun weefsel. Volgens de Nederlandse registratie is dit wel een dierproef, volgens de Europese registratie niet.

De Radboud Universiteit 1, Rijksuniversiteit Groningen 2, Universiteit Utrecht en UMCU 3 gaan uit van de Nederlandse registratie en hebben deze aantallen wel meegenomen in hun eigen jaarverslag. Om hoeveel proefdieren gaat het? In 2017 waren het er 53.018, in 2016 ging het om 46.504 dieren en in 2015 om 48.579 dieren.

3. Hoe zit het met proefdieren die overbodig zijn?

Jaarlijks is er een enorm overschot aan proefdieren die te veel zijn gefokt. Dat heeft te maken met genetisch gemanipuleerde proefdieren die voor het experiment identiek moeten zijn. Zo zijn er voor 60 identieke proefdieren wel 170 proefdieren nodig. 1 De overige 110 worden gedood zonder gebruikt te worden in experimenten.

Daarnaast gaat het ook om proefdieren die het verkeerde geslacht hebben en daarom niet geschikt zijn voor de testen. Het aantal ‘surplus’ dieren dat gedood wordt bedroeg in 2017 maar liefst 448.252 proefdieren, in 2016 waren het 440.766 proefdieren en in 2015 ging het om 406.175 proefdieren.

4. Hoe komt het dat het aantal dierproeven en proefdieren niet afneemt maar lijkt te schommelen?

In het jaarverslag van de Rijksuniversiteit Groningen staat een eerlijk antwoord op bovenstaande vraag: ‘Het aantal dierproeven fluctueert jaarlijks door beschikbare budgetten en onderzoekscapaciteit.’ 1 De oplossing ligt dan ook voor de hand. Om het aantal dierproeven echt te laten dalen zul je beleidsmatige keuzes moeten maken waarbij budgetten beschikbaar gesteld worden aan onderzoeksgroepen die kiezen voor dierproefvrije technieken.

In het gezamenlijke jaarverslag van de UU en UMCU staat het volgende: 'Daarbij is het goed te beseffen dat de transitie naar minder dierproeven sneller gaat naarmate er meer geïnvesteerd wordt in de ontwikkeling van vervangende onderzoeksmethoden en naarmate deze vervangende onderzoeksmethoden internationaal geaccepteerd worden als volwaardig alternatief.' 2