Main content

Inhoud

Minister Grapperhaus onschendbaar voor gewone burger

Nieuws: 13 januari 2020
Slacht

Op 5 december 2019 deden 12 organisaties en 122 personen aangifte tegen de minister van veiligheid en justitie Ferdinand G. naar aanleiding van G.’s uitspraken op 25 november 2019 als gastspreker tijdens de Algemene Ledenvergadering van de Producenten Organisatie Varkenshouderij. De aangifte behelst het oproepen tot het plegen van diefstal en mishandeling en het aanzetten tot haat tegen, discriminatie van of gewelddadig optreden tegen dierenactivisten. Op 6 januari 2020 kwam het antwoord.

In zijn beoordeling van de strafbaarheid van de uitlating van de minister doet rechercheofficier Mr D. Van der Bel van het openbaar ministerie arrondissementsparket Den Haag nauwelijks moeite om zijn hoogste baas met onderbouwde argumenten vrij te pleiten. Zijn eindconclusie is het enige dat telt: G. deed deze uitlatingen vanuit zijn functie als minister van veiligheid en justitie en is daarmee voor de gewone burger onschendbaar. Daarom zetten de organisaties de aangifte nu om in een klacht bij de minister zelf en eisen ze excuses voor zijn uitlating.

Leugens?

De rechercheofficier begint zijn betoog met het in twijfel trekken of de minister deze uitlatingen daadwerkelijk heeft gedaan: “hij heeft in elk geval in de media een deel daarvan sowieso ontkend”. Degene die de uitspraken optekende voor de varkenssector, weersprak die ontkenningen in de media al eerder en dit werd ook in de aangifte vermeld. Het is algemeen bekend dat diverse leden van dit kabinet regelmatig grote moeite hebben met herinneren van wat gedaan of gezegd is.

Diefstal

De rechercheofficier vervolgt met: “van opruiing tot het plegen diefstal is geen sprake nu de minister zich juist uitspreekt tégen het omgooien van auto’s (vernieling) en meteen aangeeft dat ze (de activisten) de auto zelf mogen komen ophalen. Van enig oogmerk tot toe-eigening is dus geen sprake (ook niet tijdelijk).”
Zijn verdediging is dus dat de minister niet oproept (wij gebruikten het woord opruiing niet in de aangifte) tot diefstal omdat hij zich uitspreekt tegen vernieling? Als wij de auto van de rechercheofficier op een platte kar laden met de boodschap dat hij hem zelf weer op kan komen halen, is dat geen oogmerk tot toe-eigening, maar toe-eigening! Het feit van toe-eigening is niet afhankelijk van de duur van de toe-eigening, noch van de belofte dat het toegeëigende weer op te halen is.

Geweld

Ook bij zijn tweede punt moet de rechercheofficier zich in vreemde bochten wringen om de minister vrij te pleiten: “van opruiing tot mishandeling is geen sprake nu de minister niet oproept tot het op korte afstand bespuiten van het lichaam van de activisten oid. Het van een afstand natspuiten van activisten met een hogedrukspuit om ze te verjagen levert - zeker in de context van het wederrechtelijk, althans zonder voorafgaande toestemming, betreden van een perceel door die activisten - immers geen mishandeling op.” Nee, de minister noemt helemaal geen afstand, ook niet “van een afstand”. Dat komt voort uit de fantasie van de rechercheofficier zelf.

Haat

Ten derde beweert hij: “Van aanzetten tot haat tegen, discriminatie van of gewelddadig optreden tegen dierenrechtenactivisten is (mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen) geen sprake.” Dit is op geen enkele wijze een motivatie van zijn oordeel. Wat “hiervoor is overwogen”, en “overwogen” is al een veel te groot woord voor de simplistische redenaties van deze rechercheofficier, gaat over oproepen tot diefstal en aanzetten tot geweld. In de tweets die in de aangifte genummerd zijn als 5, 7, 9, 10, 15, 19, 21, 25, 26 en 31 laat de minister zich uiterst beledigend, laatdunkend en dreigend uit over dierenrechtenactivisten, maar daar gaat de rechercheofficier niet op in.

De rechercheofficier voegt op dit punt nog toe: “Bovendien is het zeer de vraag of het aanhangen van het ‘dierenrechtenactivisme’ kan worden beschouwd als een levensovertuiging in de zin van het Wetboek van Strafrecht.” Onze advocaat heeft dit in de aangifte duidelijk uitgelegd: “Mijn cliënten delen en koesteren één geheel aan fundamentele opvattingen over de manier dat mens en niet-menselijke dieren zich tot elkaar verhouden en hoe met alles dat leeft op de aarde door de mens dient te worden omgegaan. Zij delen anders gezegd een levensovertuiging in de zin van artikel 137c e.v. Sr.” Dat is iets anders dan het neerbuigende “aanhangen van het ‘dierenrechtenactivisme’”. Een recente uitspraak in Engeland erkende juist ethisch veganisme als een levensovertuiging.

Onschendbaar

Het zou in een rechtszaal niet moeilijk zijn om gaten te schieten in het kruiperige betoog van deze rechercheofficier en aan te tonen dat Ferdinand G. wel degelijk oproept tot diefstal, aanzet tot geweld en zich uiterst beledigend, laatdunkend en dreigend uit over dierenrechtenactivisten. De minister misbruikte zijn ministerieel gezag door voor een volle zaal met veeboeren te suggereren dat deze misdaden ongestraft zullen blijven.

Deze zaak kan echter niet door ons voor de rechter worden gebracht. Nadat dat de rechercheofficier concludeert “dat er geen strafbare feiten zijn gepleegd door mr. Grapperhaus” voegt hij er snel aan toe dat als de uitlatingen “al strafbaar zouden zijn, dan zouden ze hebben te gelden als ambtsmisdrijven. Gelet op art. 119 Grondwet is het Openbaar Ministerie dan niet bevoegd daarover te oordelen. De beslissing over een eventuele strafvervolging is voorbehouden aan de Kroon en de Tweede Kamer.”

Dit houdt in dat omdat de uitspraken van G. als minister zijn gedaan en alleen de Kroon en de Tweede Kamer over vervolging van ministers kunnen beslissen, de aangifte van gewone burgers wordt afgewezen. Niet iedereen is gelijk voor de wet. De organisaties zetten daarom de aangifte om in een klacht bij de minister en verwachten excuses van hem voor zijn uitlatingen. De klacht mag niet door Grapperhaus zelf worden afgehandeld, maar moet door een van zijn ambtenaren volstrekt onpartijdig worden beoordeeld.

Art. 119 Grondwet

Art. 119 wijst de Hoge Raad aan als forum privilegiatum inzake ambtsmisdrijven, gepleegd door bij uitstek politieke ambtsdragers, te weten de leden van de Staten-Generaal, de ministers en de staatssecretarissen (Kamerstukken II 1979/80, 16164, 3, p. 4, 5). De bepaling betreft ambtsmisdrijven in betrekking gepleegd, maar geldt ook na het aftreden van de betrokken ambtsdrager. De opdracht tot vervolging kan slechts worden gegeven hetzij door de regering, hetzij door de Tweede Kamer. In een arrest van 19 oktober 2007 (LJN BA8454) overwoog de Hoge Raad dat ingevolge art. 119 Grondwet een opdracht tot vervolging van ambtsmisdrijven in de zin van art. 119 en art. 76 Wet RO uitsluitend kan worden gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. Het Wetboek van Strafvordering bepaalt sinds 1921 echter in artikel 483, tweede lid, dat voor vervolging gebruik kan worden gemaakt van de procedure uit de Wet ministeriële verantwoordelijkheid uit 1855. Deze is in 2018 gemoderniseerd via de Wet van 11 juli 2018, houdende wijziging van de wet van 22 april 1855, houdende regeling der verantwoordelijkheid van de Hoofden der Ministeriële Departementen (Stb. 1855, 33). Deze zegt in Hoofdstuk 2, § 1, Artikel 4,1. De leden van de Staten-Generaal, Onze ministers en de staatssecretarissen staan, ook na hun aftreden, wegens ambtsdelicten terecht voor de Hoge Raad. 2. De opdracht tot vervolging wordt gegeven bij koninklijk besluit of bij een besluit van de Tweede Kamer. 1

In het verleden hebben twee commissies gekeken hoe de politieke onschendbaarheid aangepast zou kunnen worden. Commissie De Wijkerslooth was ingesteld nadat PvdA-Tweede Kamerlid Paul Tang Prinsjesdagstukken had gelekt naar RTL. De commissie Schouten deed onderzoek na het lekken van geheime informatie uit de Commissie voor Inlichtingendiensten en Veiligheidsdiensten, in de wandelgangen van Den Haag de commissie Stiekem genaamd. Beide commissies stelden vast dat vervolging van bewindslieden en Kamerleden door het Openbaar Ministerie onmogelijk is, omdat het OM strikt genomen onder leiding staat van de regering en de Kamer. Daarnaast vindt de regering het onwenselijk als bewindslieden worden vervolgd, omdat kwaadwillenden met een rechtszaak regeringsbeleid zouden kunnen dwarsbomen. 2